Please use this identifier to cite or link to this item:
http://hdl.handle.net/1942/49851| Title: | Commentaar bij artikel 758 Ger.W.– Recht van persoonlijke verdediging: principe en uitzonderingen | Authors: | VAN DEN BERGH, Bart | Issue Date: | 2025 | Publisher: | Kluwer Law | Source: | Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer Law, | Abstract: | 758. De partijen mogen zelf hun conclusies en verweermiddelen voordragen, ten-zij de wet anders bepaalt. De rechter kan hun evenwel de uitoefening van dit recht ontzeggen, indien hij bevindt dat zij door drift of onbedrevenheid buiten staat zijn hun zaak met de vereiste betamelijkheid of met de nodige duidelijkheid te bespreken. 758. Les parties peuvent présenter elles-mêmes leurs conclusions et défenses, à moins que la loi n'en ait disposé autrement. Le juge peut, néanmoins, leur interdire l'exercice de ce droit, s'il reconnait que la passion ou l'inexpérience les empêche de discuter leur cause avec la décence convenable ou la clarté nécessaire. Commentaar bij artikel 758 Ger.W.-Recht van persoonlijke verdedi-ging: principe en uitzonderingen Auteur: B. VAN DEN BERGH Bijwerking: 1 juli 2025 COMMENTAAR 1 In zijn eerste lid huldigt dit wetsartikel voor alle partijen het beginsel van het recht van persoonlijke verdediging. Elke partij heeft immers een subjectief recht om zelf in persoon op te treden voor de rechtbank, tenzij de wet uitzonderingen bepaalt. (*1) Ook de partij die zonder raadsman naar de rechter trekt, heeft, zoals elke rechtsonder-horige, recht op een eerlijk proces. Dat impliceert een positieve verplichting in hoofde van de staat om maatregelen te nemen die de effectiviteit van het recht op toegang tot de rechter garanderen. De Belgische Staat moet zelfs de nodige maatregelen nemen opdat een partij effectief van dit recht gebruik zou kunnen maken. (*2) Dit wetsvoorschrift vormt zodoende een uitzondering op de bepaling van artikel 440 Ger.W. dat vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, alleen aan de advocaten het recht toekent te pleiten: het zgn. pleitmonopolie van de ad-vocatuur. (*3) Wanneer de stafhouder aan een advocaat het verbod oplegt om zijn eigen zaak te pleiten vanwege de waardigheid van het beroep, maakt dit echter geen schending uit van artikel 758, tweede lid Ger.W. | Document URI: | http://hdl.handle.net/1942/49851 | ISBN: | 90-6321-211-9 | Category: | B2 | Type: | Book Section |
| Appears in Collections: | Research publications |
Files in This Item:
| File | Description | Size | Format | |
|---|---|---|---|---|
| _GER.W. ART. 758 – 1 - GER.W. ART. 758 – 10 (10 p.).pdf Restricted Access | Published version | 91.03 kB | Adobe PDF | View/Open Request a copy |
Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.